Gratis nieuwsbrief Meld je aan voor de gratis e-mail nieuwsbrief van Nursing, TvV en TvZ. Klik hier

Medicijnquiz mei 2011: Antimicrobiële middelen

Micro-organismen kunnen infecties veroorzaken. Dit kunnen protozoa, schimmels, bacteriën of virussen zijn. In deze quiz gaan we in op medicatie voor de behandeling van bacteriële infecties: antimicrobiële middelen.

Vragen

Antimicrobiële middelen kunnen we onderscheiden in bacteriostatische en bactericide middelen.

1. Antibiotica die bacteriën doden, horen bij de groep

a. Bacteriostatische middelen
b. Bactericide middelen

2. Sommige antibiotica werken alleen op bepaalde gramnegatieve of grampositieve bacteriën en niet op andere soorten bacteriën. Wat weet je over deze middelen?

a. Het zijn smalspectrumantibiotica
b. Het zijn breedspectrumantibiotica

3. Bij resistentie is er ongevoeligheid van een bacterie voor een bepaald antibioticum ontstaan. Wanneer spreek je van kruisresistentie?

a. Als een bacteriesoort resistent is geworden voor een bepaald antibioticum en daarmee voor de hele groep van dit type antibioticum
b. Als een bacteriesoort resistent wordt tegen een bepaald antibioticum, en andere soorten bacteriën ook
c. Als een bacteriesoort resistent wordt voor een antibioticum, en vervolgens ook voor andere soorten (groepen) antibiotica
d. Als een bacteriesoort resistent is geworden voor een bepaald antibioticum, en andere medicatie vervolgens ook minder goed werkt bij die patiënt

4. Als een bacterie gevoelig is voor zowel smalspectrum- als breedspectrumantibiotica, kan het best worden gekozen voor:

a. Breedspectrumantibiotica
b. Smalspectrumantibiotica

5. De belangrijkste bijwerkingen door antibiotica zijn overgevoeligheidsreacties en superinfecties. Verder hebben bepaalde groepen antibiotica ook nog specifieke bijwerkingen. Welk middel kan als bijwerking doofheid, duizeligheid en nierschade tot gevolg hebben?

a. Amoxilline (groep penicillinen)
b. Cefazoline (groep cefalosporinen)
c. Gentamycine (groep aminoglycosiden)
d. Doxycycline (groep tetracyclinen)

6. Welke infectie kan de kop opsteken bij behandeling met een breedspectrumantibioticum?

a. Diarree veroorzaakt door protozoa
b. Candida-infectie door schimmels
c. Virale infectie

Antwoorden

1 B. Bacteriostatische middelen remmen de groei van bacteriën en bactericiden doden bacteriën.

2 A.

3 A.

4. b. is juist: Wanneer gekozen wordt voor een breedspectrumantibioticum loopt men namelijk het gevaar dat andere, van nature in de darmen voorkomende bacteriën worden gedood, wat tot verstoring van de darmflora kan leiden, waardoor een tekort aan vitamines kan ontstaan. Ook kan hierdoor diarree optreden.

5 C is juist. Antibiotica uit de groep aminoglycosiden kunnen duizeligheid en (blijvende) doofheid veroorzaken. Daarnaast kunnen ze leiden tot nierfunctiestoornissen en uiteindelijk tot ernstige nierschade.

6 B. Bacteriën zijn de natuurlijke vijanden van schimmels. Wees daarom - zeker bij langdurig antibioticagebruik - alert op het ontstaan van schimmelinfecties. 

E-Nursing

Met dank aan:
Annemieke Horikx, apotheker bij de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie
  

Bronnen:
- Butterhoff JJF, Opdorp FAC van, Geneesmiddeleninformatie; Elsevier Gezondheidszorg Maarssen 2009.

Marion Giesberts, medeoprichter van

Of registreer je om te kunnen reageren.

Nursing is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden