Gratis nieuwsbrief Meld je aan voor de gratis e-mail nieuwsbrief van Nursing, TvV en TvZ. Klik hier

Blog Nannie: 'Tussen wal en schip'

Met de hbo-v en het verdwijnen van de inservice-opleiding kwamen de stageproblemen. Ziekenhuizen moeten zich weer verantwoordelijk voelen voor de opleiding én voor voldoende stageplekken, zegt Nannie Wiegman in haar blog.
Kleiner.jpg
Inservice-leerlingen in Assen in 1970. Foto: FNI

Ineens staat de mbo-verpleegkundige volop in de schijnwerpers. Sommigen vragen zich af of deze professional überhaupt nog wel de titel van verpleegkundige mag voeren. Volgens anderen staat de verpleegkundige niveau 4 in 2020 nog gewoon aan het bed. Daar komt bij dat uit recent onderzoek blijkt dat mbo-verpleegkundigen niet tevreden zijn met hun carrièreperspectieven.  Ze willen het liefst doorstromen naar het hbo. Maar het zorgwekkendste bericht is toch wel het gebrek aan stageplekken. De opleiding tot mbo-verpleegkundige scoort op dit punt heel slecht. Nu zijn er veel oorzaken aan te wijzen voor dit probleem. Laten we echter eerst eens kijken wie er nu eigenlijk verantwoordelijk is voor deze situatie. Misschien weten we dan ook hoe het opgelost moet worden.  

Stageplekken voor mbo-verpleegkundigen zijn nog altijd schaars. De opleiding tot verpleegkundige hoort bij de slechtst scorende mbo-opleidingen als het gaat om stageplekken. Lees verder>> 

Toen het Samenhangend Stelsel in 1996 in werking trad, was er een prominente plaats ingeruimd voor de mbo-verpleegkundige, niveau 4 dus. Dat was ook geen wonder, want deze verpleegkundigen kwamen regelrecht uit de oude in-service opleiding. Zij bevolkten alle afdelingen in het ziekenhuis, in de psychiatrische instellingen, in de verpleeghuizen en in de thuiszorg. Natuurlijk, er was nóg een categorie excellente opgeleiden, de hbo-verpleegkundige, maar daar wisten de instellingen in die tijd nog niet zo goed raad mee. Want wat kon zo’n hbo-v'er nu helemaal? Ze kon abstracter denken, had beter overzicht en durfde knopen door te hakken, maar op zo’n doortastende verpleegkundige zaten instellingen nog niet te wachten. De hbo-v'er moest zich eerst maar eens bewijzen. Voor de instellingen was de mbo-verpleegkundige dé oplossing als het om workforce ging.

De voorloper van de mbo-verpleegkundige was de in-service opgeleide verpleegkundige. Vergeleken met het buitenland kent het Nederlandse in-service opleidingssysteem een extreem lange traditie. Florence Nightingale koos in 1859 al nadrukkelijk voor een aparte verpleegstersschool waar leerlingen theoretisch opgeleid werden. De ziekenhuizen konden deze leerlingen inhuren en trainden ze vervolgens in de praktijk. Aan het hoofd van de opleidingsschool stond de Matron, die de opleiding van de leerlingen in de gaten hield. Zij bepaalde wat voor elke leerling de beste stageplek was. Daar had het ziekenhuis geen zeggenschap in. Dit ‘Nightingale System’ werd razend populair in veel landen.

Toen de verpleging in Nederland vanaf 1880 een beroep werd, wezen de ziekenhuizen het ‘Nightingale System’ af. Medici kozen voor een model waarbij de leerling in het ziekenhuis woonde, werkte en werd opgeleid: het in-service systeem. De leerling was  kwetsbaar en afhankelijk van de luimen van de medicus én de directrice. In het ziekenhuis leerden leerlingen het vak, werd hun karakter gevormd en werd ze discipline bijgebracht. Bovendien kon het ziekenhuis zo beschikken over een enorm aantal goedkope werkkrachten, en dat ieder jaar opnieuw. Het in-service systeem kon zolang in stand blijven omdat ziekenhuizen er voordeel bij hadden. Kritiek op het systeem was zeldzaam. Alleen verpleegkundige Jeanne van Lanschot Hubrecht verzette zich in 1907 fel tegen de bewering van artsen dat hun ziekenhuis hetzelfde was als een opleidingsschool. ‘Hoe durft men een klein kinderziekenhuisje van twintig bedden een opleidingsschool te noemen’, aldus een verontwaardigde Van Lanschot.

Veel inservice-opgeleiden hopen alsnog hbo-v'er te worden. NU'91 krijgt daar veel telefoontjes over. Lees meer>>

In de jaren 60 werd de roep om aparte opleidingsscholen luider. Pas met de komst van de hbo-v in 1972 werd de opleiding losgekoppeld van het ziekenhuis, naar het inservice-systeem bleef ernaast bestaan. Dat was een halfslachtige keuze. Het naast elkaar laten bestaan van twee type opleidingen had uiteindelijk dramatische gevolgen voor het imago en de beroepstrots van de mbo-verpleegkundige. De situatie zorgde voor onduidelijkheid en verwarring, tot de dag van vandaag. We hebben nu al sinds 1972 dagopleidingen maar je kunt je afvragen of we die keuze wel consequent gemaakt hebben. In ieder geval bracht de komst van de hbo-v meteen het stageprobleem aan het licht, dat nog werd verergerd door het definitief verdwijnen van de in-service opleiding. Ziekenhuizen voelen zich niet meer verantwoordelijk voor de opleiding van verpleegkundigen en zijn niet bereid de consequenties van het nieuwe opleidingssysteem serieus te nemen. Voor de mbo-opleidingen is dit een probleem, want zij kunnen maar moeilijk een vuist maken tegenover instellingen. En de mbo-stagiaire? Die is de dupe van deze impasse. Het is dus de morele plicht van ziekenhuizen én opleidingen gezamenlijk om ervoor te zorgen dat de mbo-verpleegkundige de stageplek krijgt, waar ze niet zonder kan. Ja, waar ze zelfs recht op heeft!  

Het huidige gebrek aan stageplaatsen hangt samen met het einde van de oude inservice-opleiding. Daarmee verviel de verantwoordelijkheid van het ziekenhuis om adequate stageplaatsen voor de nieuwe mbo-verpleegkundige te creëren. Op de foto inservice-leerlingen in Assen in 1970. Bron: FNI 

Of registreer je om te kunnen reageren.

Nursing is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden