Nieuwsbrief Meld je aan voor de e-mail nieuwsbrief van Nursing, TvV en TvZ. Klik hier

Larventherapie


Definitie

Larventherapie is een verpleegkundige wondzorgtechniek met als doel een wond te ontdoen van onzuiverheden. Hierbij wordt gebruikgemaakt van levende larven, die als voornaamste eigenschap hebben dat ze necrotisch materiaal verwijderen zonder intact, vitaal weefsel aan te tasten.

De larven zijn afkomstig van de Lucilia sericata, de groene vleesvlieg. Zie ook Madentherapie.

Indicaties
Alle wonden met necrotisch materiaal komen in principe in aanmerking voor larventherapie. De letsels mogen al dan niet geïnfecteerd en al dan niet diep zijn. Voorbeelden zijn:

- veneuze ulcera
- drukletsels;
- wonden met fibrinebeslag;
- osteomyelitisletsels.

Let op bij:
- Te droge wonden: hierin gedijen de larven niet. Zij hebben een vochtige omgeving nodig om tot ontwikkeling te komen.
- Te vochtige wonden: larven kunnen niet overleven in te veel vocht. Daarom moet excessief wondvocht geëvacueerd kunnen worden zonder dat de larven mee worden verwijderd.
- De larven bestaan uit zeer fragiel en kwetsbaar materiaal. Voor de larven zou te hoge druk zeker fataal zijn, maar ook nefast voor de wond.
- Larven zijn niet plaatsgebonden en migreren vanuit de wond naar andere zones. Een goed afplakbare zone is nodig om niet onaangenaam verrast te worden bij het verwijderen van het verband. Behaarde gebieden of articulaties worden het best vooraf geïnspecteerd op dat vlak.

(Handboek Wondzorg, 2009)