Blog Hugo: ‘In hetzelfde schuitje’

Wijkverpleegkundigen en mantelzorgers gaan vaak structureel over de eigen grenzen heen zonder gehoord te worden en krijgen pas hulp als ze echt ziek zijn. Hoe veranderen we die cultuur?
Verpleegkundige met cliënt (Foto: Arno Massee)

Wietse is boos. Als wijkverpleegkundige heeft hij te veel cliënten. Dat maakt dat hij zich al maanden achtereen overbelast voelt. Hij sprak er al eens over met zijn manager. Toen werd een collega van hem plotseling ziek. Of hij de cliënten deels wilde overnemen. Op één voorwaarde zei Wietse stellig: hier blijft het bij, ik kan voorlopig echt geen nieuwe cliënten meer aannemen.

De afspraak werd gemaakt. De afspraak werd geschonden. Nog geen week later belde zijn manager opnieuw. Kan hij niet toch nog ergens een gaatje vinden in zijn schema? Er brak iets bij Wietse. Het kleine beetje energie dat nog restte in zijn lijf was plots verdwenen. Hij kon niet meer. ’s Nachts lag hij te janken in zijn bed. De huisarts constateerde een burn-out. Binnen no time had Wietse zijn manager weer aan de telefoon. Deze reageerde vriendelijk, betrokken en overlaadde hem met excuses. Hij had zich niet gerealiseerd dat de situatie al zo nijpend was geweest en zou heel graag van betekenis willen zijn.

Thuiszitten blijkt de oplossing niet. Wietse wil eigenlijk het liefst gewoon snel weer aan het werk, maar dan wel in een realistische context. En hij wil met zijn manager praten over de ontstane situatie. Waarom moet hij eerst ziek worden voordat hij serieus genomen wordt? En dat is exact waar hij zo boos over is.

De ervaringen van Wietse komen me bekend voor. In Dagelijks leven met dementie beschrijft antropologe Anne-Mei The eenzelfde cyclus, maar dan bij mantelzorgers. Na de diagnose worstelen ze met de situatie thuis: een veranderende relatie, onbegrip vanuit de omgeving, angst voor de toekomst. Maar er gebeurt vervolgens niks, ondersteuning blijft uit. De worsteling gaat in de loop van jaren over in een uitgesproken gevoel van overbelasting, en nog altijd gebeurt er weinig. Misschien dat een huisarts of casemanager vriendelijk zegt dat je wel goed op jezelf moet letten, al wordt nooit helemaal concreet hoe je dat dan moet doen. Vervolgens ontaardt de continue overbelasting in een echte ziekte: een gebroken heup na een val van de trap, sepsis op basis van een verwaarloosde ontsteking, hartfalen, een beroerte of een serieuze depressie. Dan pas gaan de radartjes echt draaien en komen zorgverleners en masse in actie.

Mantelzorgers voelen daarom regelmatig dezelfde woede als Wietse. Ze gaan structureel over de eigen grenzen heen zonder gehoord te worden en krijgen pas hulp als ze echt ziek zijn, als er een crisissituatie is ontstaan. Wat maakt het toch zo moeilijk voor de zorgsector om te anticiperen in plaats van te reageren?

De druk op wijkverpleegkundigen en mantelzorgers gaat de komende jaren flink oplopen, terwijl in beide groepen tekorten ontstaan. Als we op dezelfde manier blijven omgaan met structurele overbelasting is dat een recept voor meer ziekte en frustratie. Maar hoe veranderen we deze cultuur? Wellicht helpt het als mantelzorgers en wijkverpleegkundigen de handen ineenslaan en gezamenlijk gaan werken aan een meer proactieve gezondheidszorg. Als je toch in hetzelfde schuitje zit, lijkt samenwerken het beste wat je kan doen.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.