Martin van Rijn: ‘De wijkverpleegkundige staat in de frontlinie’

De nieuwe Zorgverzekeringswet, indiceren en de wijkverpleegkundige terug als spin in het web. 2015 was een roerig jaar voor de langdurige zorg. Staatssecretaris Martin van Rijn: 'Ik hoop dat wijkverpleegkundigen me willen blijven helpen.'

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Martin van Rijn
Martin van Rijn: 'Ik realiseer me heel goed dat 2015 een pittig jaar is geweest.' (Foto: Arno Massee)

Precies een jaar geleden is de wijkverpleging overgeheveld van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten naar de Zorgverzekeringswet. De verandering maakte de wijkverpleegkundige verantwoordelijk voor het verpleegproces van begin tot eind, inclusief indicaties stellen en zorg toewijzen. Het is onderdeel van de grootschalige hervorming van de langdurige zorg die staatssecretaris Martin van Rijn doorvoert om de zorg naar eigen zeggen menselijker te maken. ‘De kern van verpleging en verzorging is dat zorg in de thuissituatie niet op afstand wordt geïndiceerd, maar dat er iemand bij je langskomt met verstand van zaken die in staat is om professioneel in te schatten wat nodig is en die mensen stimuleert eigen regie te behouden. Niet zorgen voor, maar zorgen met.’

‘In 2016 moeten we werkelijk de administratieve lasten in de praktijk gaan verminderen’

Wat is uw indruk van het eerste jaar van de aanspraak Wijkverpleging in de Zorgverzekeringswet?

‘Het is voor de verpleegkundigen ongelofelijk hard werken geweest: de indicatiestelling, nieuwe regels, nieuwe partijen waar wijkverpleegkundigen mee te maken krijgen. En nog steeds is het erg aanpoten, dat zie ik ook wel in de praktijk. Het indiceren heeft een behoorlijke kluit werk opgeleverd, maar ik merk wel dat wijkverpleegkundigen het mooi vinden dat ze veel meer de ruimte krijgen om zelf de indicaties te stellen.’

Waar bent u minder trots op, wat wilt u komend jaar zeker verbeteren?

‘Het systeem van bekostiging. Hoewel we streven naar minder registratie en minder administratieve lasten, hebben wijkverpleegkundigen daar afgelopen jaar juist veel last van gehad. Dat komt mede door het bekostigingssysteem dat veel administratie met zich meebrengt. Daar moet een heel grote vereenvoudiging komen. In 2016 moeten we de slag maken om in de praktijk werkelijk de administratieve lasten te gaan verminderen. Wijkverpleegkundigen moeten in 2016 meer ruimte krijgen om de zorgtaken te doen die zij denken dat er bij de patiënt te doen zijn, zonder dat het allemaal moet worden geregistreerd.’

Hoe ver bent u met het nieuwe bekostigingsmodel?

‘Een onderzoeksbureau kijkt met behulp van ervaringen uit de praktijk wat de structuur van de bekostiging zou moeten zijn. Daarnaast zijn we in gesprek met beroepsvereniging V&VN, thuiszorgaanbieders en zorgverzekeraars. Ik wil het bekostigingsmodel zo eenvoudig mogelijk maken. Ik wil af van al die producten en tariefj es. Het moet een heel eenvoudig systeem worden met zo min mogelijk producten, zodat we het werk van de verpleegkundige zo vrij mogelijk maken. Afgelopen jaar is er al veel discussie geweest over het bekostigingsmodel en welke afspraken er moeten komen tussen gemeenten en zorgverzekeraars. Ik vind het vooral belangrijk dat gemeenten en zorgverzekeraars de professional de ruimte geven om praktische afspraken met elkaar te maken. Laten we vooral geen bobo’s bij elkaar zetten die bedenken hoe het moet, geef professionals op de werkvloer de vrijheid om hun werk kunnen doen. In 2016 starten we met pilots om stappen te kunnen zetten in de richting van een nieuwe bekostiging met het oog op vermindering van administratieve lasten. In 2017 zal een nieuw bekostigingsmodel worden ingevoerd. Maar wat mij betreft hoeven instellingen daar niet op te wachten en kunnen ze in 2016 al op een andere manier werken, namelijk met een vast bedrag per patiënt op basis van de samenstelling van de populatie. Ook de huidige bekostigingsregels geven ruimte voor ontwikkeling.’

Doelt u daarmee ook op de pilot van Zilveren Kruis?

‘Ja. Over de pilot is veel discussie en je hoort daarin twee kanten. Aan de ene kant is het goed dat we nadenken hoe we wijken en buurten organiseren en elkaar niet voor de voeten lopen. Het is niet handig als in één wijk wijkverpleegkundigen van verschillende organisaties rondrijden. Aan de andere kant heeft de pilot gevolgen voor de manier van werken, dus mensen vragen zich af wat het voor hun werkzaamheden betekent. Daarom is het ook een pilot. De zorgverzekeraar probeert erachter te komen of deze manier van werken een goede manier is. Ook wijkverpleegkundigen moeten nadenken over hoe we de zorg tussen thuiszorgorganisaties, huisarts en gemeenten beter organiseren. Ik juich pilots en experimenten daarmee alleen maar van harte toe.’Wat in twintig jaar is gegroeid, verander je niet in twaalf maanden.’

Wijkverpleegkundigen merken toch dat er in de praktijk nog veel oud productiedenken is. Merkt u dat ook?

‘Ja, dat merk ik zeker. We moeten af van het uurtje-factuurtje, van de stopwatchzorg, en van de minutenregistraties. Ook tijdens werkbezoeken merk ik dat er her en der nog op de oude manier wordt gewerkt. Wat me opvalt is dat het vaak gaat om regels die helemaal niet van de overheid komen. Het zijn regels bedacht door instellingen zelf om iets te managen, te monitoren of te bekostigen. Maar wat in twintig jaar is gegroeid, kun je niet in twaalf maanden veranderen.’

Wat doet u eraan om dit oude denken te doorbreken?

‘Ik heb een belangrijke taak om te zorgen dat die regels worden afgeschaft. Dat hoop ik te doen met het nieuwe bekostigingsmodel. En het is ook mijn taak om partijen bij elkaar te brengen en te laten zien: het hoeft niet allemaal zo gereguleerd te zijn. Soms helpt het om partijen simpelweg met elkaar in contact te brengen. Als een huisarts op medisch gebied niets voor een patiënt kan betekenen, kan hij doorverwijzen naar het sociaal domein. Maar in de praktijk zie je nog te vaak dat de huisarts dat helemaal niet weet. De structuur van de eerste lijn is niet voor iedereen duidelijk. Wie doet wat en is waar te bereiken. Dat is vaak nog onbekend. Ik probeer die partijen bij elkaar te brengen en goede voorbeelden te delen.’

Hoeveel tijd is er nodig om het oude denkpatroon te doorbreken?

‘Daar heb je echt wel een paar jaar voor nodig. Dat is heel afhankelijk van of mensen in de praktijk voelen dat zij de ruimte krijgen. Ik zie weer lichtjes in de ogen van verpleegkundigen. Ze zeggen ‘ik heb mijn vak terug’, ‘hiervoor ben ik in de zorg gegaan’. Als dat gevoel nou sterker wordt, dan kunnen we het doorbreken van het oude denkpatroon versnellen.’

Natuurlijk zijn verpleegkundigen blij dat ze hun vak terug hebben. Maar ze zeggen ook: ‘wijkverpleegkundigen in de lead? Het lijkt meer op zorgverzekeraars in de lead’.

‘Een zorgverzekeraar mag nooit op de stoel van een wijkverpleegkundige gaan zitten. De zorgverzekeraar heeft maar heel beperkt verstand van zorg, dus ook van wijkverpleegkundige zorg. Een zorgverzekeraar heeft wel de plicht om voldoende zorg in te kopen van goede kwaliteit. Hoe bepaal je nou als zorgverzekeraar wat goede kwaliteit is? Door te luisteren naar de professionals! Ik denk dat het te maken heeft met de kracht en het zelfvertrouwen van de beroepsgroep zelf. Zorgverzekeraars baseren zich bij hun zorginkoop het liefst op kwaliteitsstandaarden die door de professional zijn opgesteld. Maar als die er niet zijn of als er veel over wordt gediscussieerd, gaat de zorgverzekeraar zelf dingen verzinnen en alles bepalen. Verpleegkundigen moeten zelf tot richtlijnen en kwaliteitsnormen komen waarmee ze zeggen: dit is de goede manier van wijkverpleegkundige zorg verlenen.’

‘Het is voor de verpleegkundigen ongelofelijk aanpoten geweest en nog steeds, dat zie ik ook wel’

Dus u vindt eigenlijk dat wijkverpleegkundigen hun stem meer moeten laten horen aan die zorgverzekeraar?

‘Ja. Want in de wet staat dat je recht hebt op wijkverpleegkundige zorg zoals verpleegkundigen en verzorgenden die plegen te bieden. Er wordt niet voorgeschreven hoe verpleegkundigen dat moeten doen. Er staat ook niet in de wet dat de zorgverzekeraar bepaalt hoe het moet. Er staat dat verpleegkundigen bepalend zijn voor de kwaliteit van het vak, de kwaliteit van de richtlijnen die de basis kunnen worden voor de inkoop van verzekeraars.’

Vindt u dat de zorgverzekeraar in het overgangsjaar voldoende heeft geluisterd naar de professional?

‘Nou ja, dat zal verschillen. De een misschien wel en de ander niet. Naast de zorgplicht moet de zorgverzekeraar ook zorgen dat de kosten niet de pan uit rijzen. Het is de opdracht van verzekeraars om goede zorg in te kopen tegen een zo’n goed mogelijke prijs. Dus het is ook een kwestie van onderhandelen. Verpleegkundigen kunnen daarin mondiger worden. Want ik ben ervan overtuigd dat ook de zorgverzekeraars er baat bij hebben dat de beroepsgroep zelf met kwaliteitsstandaarden komt.’

Hoe moeten wijkverpleegkundigen competent worden in hun nieuwe taken als ze gelijktijdig te maken hebben met een korting op het budget?

‘Voor 2015 hebben we een budget afgesproken en gedurende het jaar ontstond er bij thuiszorgorganisaties bijna een soort strijd om dat budget te halen. Laten we nou oppassen dat we niet te snel roepen dat er geld bij moet. Als er inderdaad blijkt dat er in 2015 te weinig budget was en dat er geld bij moet, ja, dan moet dat maar. Dan moeten we met elkaar bekijken wat dat betekent: bijplussen of andere tarieven. Ik snap dat thuiszorgorganisaties bovenop het budget zitten, maar we gaan juist proberen om die wijkverpleegkundige zorg op een andere manier voor elkaar te krijgen en daar hoort een onzekerheid over het al dan niet halen van het budget bij.’

Maar voor wijkverpleegkundigen is dit een lastige spagaat: minder budget en tegelijk je vak opnieuw moeten uitvinden.

‘Ja, dat klopt. Uiteindelijk moet de zorg zo zijn geregeld dat de indicatie van de wijkverpleegkundige leading is. Of dat nou meer of minder zorg betekent. Het vereist van de organisaties achter de wijkverpleegkundigen een heel andere bedrijfsvoering. Dus thuiszorgorganisaties moeten niet meer vooraf zeggen: dit is het budget en als we dit niet halen, moeten verpleegkundigen meer zorg indiceren die eigenlijk niet nodig is. Dat is raar. Maar ombouw van het systeem kost tijd. Dat snap ik wel. En ik snap ook dat wijkverpleegkundigen het gevoel hebben dat zij in de frontlinie staan. Wijkverpleegkundigen zijn de frontsoldaten van de vernieuwing.

Eén van mijn grote drijfveren is om de zorg weer dichter bij de mens te brengen. Geen anonieme indicatieorganen die brieven versturen die cliënten nauwelijks snappen, maar professionals die de patiënt in de ogen kunnen kijken en vragen: wat kun je nog zelf en waar heb je ondersteuning nodig? Dat zijn de wijkverpleegkundigen. De zorg van de toekomst, is de wijkverpleegkundige zorg. Ik ben er heel erg trots op wat daar gebeurt. En ik realiseer me heel goed dat 2015 een ongelofelijk pittig jaar is geweest. Maar ik hoop dat ze me willen blijven helpen om de nieuwe zorg te organiseren.’

Welke verpleegkundigen mogen vanaf 1 januari 2016 indiceren, alleen hbo-opgeleide verpleegkundigen?

‘Dat is iets wat afgesproken wordt tussen de beroepsgroep en de zorgverzekeraars, waarin de beroepsgroep zelf de richting bepaalt. Naar mijn indruk hangt de indicatiestelling ook af van de situatie, maar de verpleegkundige moet wel kunnen beoordelen welke zorg moet worden ingezet en dat vereist een bepaalde vorm van ervaring en opleiding, een hbo-opleiding. Maar het gevaar is dat we doorschieten en dat we doen alsof het verpleegkundige werk alleen door hbo-opgeleide verpleegkundigen kan gebeuren. Dat is niet zo.’

‘De zorgverzekeraar mag nooit op de stoel van de verpleegkundige zitten’

Mag een mbo-verpleegkundige in 2016 nog wel indiceren?

‘Dit is een punt dat het Rijk niet voorschrijft. Daar moeten praktische afspraken over worden gemaakt tussen de beroepsgroep en zorgverzekeraars. Ik weet dat er in sommige thuiszorgteams een tekort is aan hbo-verpleegkundigen en dat mbo-verpleegkundigen daar ook indiceren. Zorgverzekeraars moeten daar rekening mee houden. Ik zal er vanuit mijn kant op letten dat de afspraken ook praktisch uit te voeren zijn.’

Sommige mbo’ers willen zich graag opscholen. Waarom is er nog geen opleidingsimpuls voor mbo-verpleegkundigen om door te scholen tot hbo-verpleegkundige?

‘Op het moment kijken we samen met de opleidingen wat de nieuwe eisen aan het vak zijn en hoe we daarop kunnen inspelen. Ook werkgevers zullen moeten nadenken of zij opleidingsgeld moeten vrijmaken om te zorgen dat de doorstroom op gang komt. Onder leiding van Doekle Terpstra wordt er gewerkt aan het Zorgpact, waarin we opleiders en thuiszorgaanbieders bij elkaar brengen om plannen te maken op regionaal niveau.’

Maar er is een tekort aan wijkverpleegkundigen en dit tekort zal alleen maar groter worden. Wat gaat u doen om dat op te vangen?

‘Op dit moment maken we ramingen waarin we kijken hoeveel wijkverpleegkundigen we de komende jaren nodig hebben. De werkwijze is compleet veranderd, wijkverpleging is onderdeel van de Zorgverzekeringswet. Dat zijn ook zaken die we moeten meenemen in de capaciteitsramingen. Maar de eerste signalen zijn zeker dat er een tekort aan wijkverpleegkundigen is. Dus we zullen moeten zorgen dat mensen die al in het vak zitten kunnen doorstromen naar een hogere opleiding.’

En gaat u daar geld voor vrijmaken?

‘Een aparte financiering om mbo-verpleegkundigen door te scholen naar hbo komt er voorlopig niet. Maar zoals gezegd kijken we met het Zorgpact hoe we kunnen zorgen dat opleiding en praktijk beter op elkaar aansluiten.’

Maar dat is een meerjarenplan, terwijl er nu al tekorten zijn.

‘Klopt, maar dat is altijd zo met het onderwijs. Je leidt nu op voor de situatie voor over een paar jaar. We zien nu het vak veranderen, dus we zullen heel snel moeten zorgen dat de koppeling tussen zorg en onderwijs op gang komt omdat deze ontwikkelingen in de zorg heeft niet alleen gevolgen voor de zorg maar ook voor het onderwijs. Het Zorgpact onder leiding van Doekle Terpstra moet hier aan bijdragen.’

Wat wenst u de verpleegkundigen toe voor het nieuwe jaar?

‘Zorg moet weer meer van de mensen worden, meer dichterbij de mens, van systemen naar mensen. Dat zijn uitgangspunten die mij motiveren. In de wijkverpleegkundige zorg zie je dagelijks wat de gevolgen zijn van de hervormingen in de langdurige zorg. Verpleegkundigen zijn de mensen die het dagelijks ervaren en die weten wat er gebeurt. Dus ik hoop dat ze me willen blijven helpen. En ik hoop – en dat meen ik al te zien – dat de nieuwe manier van werken tot meer werkplezier leidt.’

Voetnoten

1Triple Aim is een visie op gezondheidszorg ontwikkeld door het Amerikaanse Institute for Healthcare Improvement. Meer informatie op www.​ihi.​org.

CV Martin van Rijn (59)

Opleiding

1968-1974 Gymnasium-b

1974-1980 Studie Economie, Erasmus Universiteit Rotterdam

Loopbaan

1980 diverse functies binnen ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)

2000 directeur-generaal Management en Personeelsbeleid bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

2003 directeur-generaal Gezondheidszorg bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder meer verantwoordelijk voor de hervorming van het zorgstelsel

2008 voorzitter van de Raad van Bestuur van PGGM

2012 staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Thuisverpleging in belgië

Thuisverpleging in België

Hendrik van Gansbeke is algemeen coördinator van het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen. Hij geeft zijn terugblik op 2015 en toekomstvisie voor 2016 op de thuisverpleging in België.

‘In België hebben we het afgelopen jaar in de thuisverpleging, maar ook in de welzijns- en gezinszorg te maken gehad met besparingen vanuit de overheid. Dat is zorgelijk omdat we ons moeten voorbereiden op de groeiende groep chronische patiënten in de thuisverpleging die ook steeds vaker hoog complexe zorg nodig hebben. Ons doel is een reorganisatie van de zorg, geinspireerd door Triple Aim.1 Essentieel daarin is dat de thuisverpleegkundige een andere invulling van haar rol krijgt waarin zij focust op indiceren, begeleiding en ondersteuning van patiënten met complexe problemen en specifieke verpleegkundige zorg, zoals oncologische zorg, complexe infuustherapie en complexe wondzorg.

Voor het jaar 2016 wordt er een klein budget vrijgemaakt om te experimenteren met de nieuwe werkwijze, maar dat is alleen bedoeld voor proactieve vroegdetectie bij jongere diabeten met problemen qua therapietrouw. Het is lastig om vernieuwingen te realiseren met beperkte budgetten. Aan de andere kant word je gedwongen om creatief te denken, waardoor je juist nieuwe activiteiten van de grond krijgt. Ik denk dat daar voor 2016 de uitdaging ligt: hoe gaan we creatief om met het beschikbare budget.

Evenals in Nederland ligt er voor ons ook een uitdaging in de communicatie met de ziekteverzekeraars. Zij hebben lange tijd gedacht: ‘Wij hebben de centen, dus wij mogen bepalen wat ermee gebeurt’. De vraag is nu hoe we een nieuw financieringsmodel maken. De financiering van onze thuisverpleging focust nu te veel op louter presteren. Het stimuleren tot zelfzorg of mantelzorg wordt te weinig beloond. Daarom voeren wij systematisch overleg met ziekteverzekeraars, de overheid en thuisverpleegkundigen zodat we afspraken kunnen maken over vergoeding van zorg en de wijze waarop dat genoteerd en verantwoord moet worden. In 2015 hebben we hiervoor de eerste stappen gezet en in 2016 gaan we dit doorontwikkelen.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.