Medicatie

Medicatie

Nursing Challenge: Statines

Statines zijn cholesterolsyntheseremmers, zij verlagen het cholesterolgehalte in het bloed. De toets bij dit artikel levert 1 accreditatiepunt op
Medicatie

Nursing Challenge: Furosemide

Furosemide is een lisdiureticum en wordt vooral toegepast als snelle ontwatering nodig is. Haal 1 accreditatiepunt met de toets bij dit artikel.
Medicatie

Nursing Challenge: Paracetamol

Paracetamol heeft een pijnstillende en koortsverlagende werking. Het middel heeft, in tegenstelling tot NSAID's, geen ontstekingsremmende werking. De toets bij dit artikel levert 1 accreditatiepunt op.
Medicatie

Nursing Challenge: Isosorbidedinitraat

Isosorbidedinitraat heeft een vaatverwijdende werking en wordt vooral voorgeschreven bij angina pectoris. De toets bij dit artikel levert 1 accreditatiepunt op.
Medicatie

Nursing Challenge: Dapagliflozine

Dapagliflozine is een SGLT2-remmer. Het wordt gebruikt bij de behandeling van diabetes mellitus type 1 en type 2 en bij chronisch hartfalen met een verminderde ejectiefractie.
Medicatie

Nursing Challenge: Allopurinol

Allopurinol wordt gebruikt om jichtaanvallen te voorkomen. Door allopurinol neemt de hoeveelheid urinezuur in het bloed af. Maak de toets bij dit artikel en haal 1 accreditatiepunt.

Nursing Challenge: Laxantia

Veel mensen krijgen op enig moment te maken met obstipatie. Welke laxantia zijn er, hoe werken ze en wat zijn hun bijwerkingen? Verdien 1 accreditatiepunt met de toets. Download ook de poster met het overzicht van laxantia.
Medicatie

Nursing Challenge: Digoxine

Digoxine versterkt de contractiekracht van het hart en wordt gebruikt bij hartritmestoornissen en hartfalen. Maak na het lezen van dit artikel de bijbehorende toets en verdien daarmee 1 accreditatiepunt.
Medicatie

Nursing Challenge: Tiotropium

Tiotropium is een langwerkende luchtwegverwijder. Het wordt ingezet bij de onderhoudsbehandeling van COPD en bij ernstig astma. Met de toets bij dit artikel haal je 1 accreditatiepunt.
Medicatie

Nursing Challenge: Latanoprost

Latanoprost verlaagt de oogboldruk. Oogdruppels met latanoprost worden gebruikt bij openkamerhoekglaucoom. Met de toets bij dit artikel haal je 1 accreditatiepunt

Over medicatie

Geneesmiddelen

Zorg voor medicatie: uitzetten, klaarzetten, aanreiken of toedienen van medicijnen.

Lees meer

De arts schrijft medicijnen voor, op basis van indicatie, rekening houdende met contra-indicaties en mogelijke interacties. Als de patiënt de medicatie niet zelf kan beheren, is de verpleegkundige verantwoordelijk voor het aanreiken, toedienen, uitzetten, klaarzetten en beheren van medicijnen.

Medicatieveiligheid

Medicatieveiligheid gaat over alle activiteiten die zijn gericht op juiste voorschrijving, aflevering en gebruik van geneesmiddelen. Met als doel dat
– de juiste cliënt
– het juiste medicijn
– op de juiste tijd
– in de juiste hoeveelheid en dosering
– en op de juiste wijze krijgt toegediend

Medicatiefout

Een medicatiefout is elke fout in het proces van voorschrijven, ter hand stellen/afleveren, opslag/beheer, gereedmaken, toedienen/registreren en evalueren, ongeacht of er schade is opgetreden.
Veelvoorkomende oorzaken:
– Geen duidelijke toedienlijst: niet weten wat te moeten geven.
– Zelf maken van een medicijnlijstje: de gegevens zijn niet goed overgenomen.
– Storingen tijdens het werken met medicatie: onvoldoende aandacht bij de voorbereidingen en het toedienen van de medicijnen.
– Geen duidelijke afspraken in het zorgleefplan: voor de toediener is niet duidelijk waar hij/zij verantwoordelijk voor is.
– Geen goede toedienregistratie: er is niet afgetekend, dus is het niet duidelijk of de cliënt medicatie heeft gekregen.
– De instructie is niet duidelijk: toediener weet niet waarop te letten.
– Geen kennisgenomen van de bijsluiter: toediener weet niet wat hij/zij geeft.
– Geen volledig ingevuld uitvoeringsverzoek bij injecties: er zijn onvoldoende gegevens om verantwoord te handelen.

Bijwerkingen en interactie

Omdat de werkzame stoffen van een geneesmiddel door het hele lichaam zitten, kan er ook een ongewenste lichamelijke reactie op een niet beoogde plek optreden. Veel voorkomende bijwerkingen zijn duizeligheid, hoofdpijn en maag- en darmklachten, zoals diarree en buikpijn. Ook kan iemand allergisch of overgevoelig zijn voor geneesmiddelen, wat zich kan uiten in jeuk, huiduitslag of benauwdheid.

Bij gelijktijdig gebruik van meerdere medicijnen kunnen deze elkaars werking positief of negatief beïnvloeden (interactie). Dit kan ook gebeuren tussen recept-medicijnen en zelfzorgmedicijnen en tussen zelfzorgmedicijnen onderling. Ook interactie met voedsel of dranken is mogelijk, zoals alcohol, melk of grapefruitsap. Een probleem – vooral bij ouderen – is polyfarmacie: het gebruik van meerdere medicijnen.

Afhankelijkheid en verslaving

Volgens de DSM-IV TR2 is afhankelijkheid of misbruik van een middel een patroon van onaangepast gebruik van een middel dat significante beperkingen of lijden veroorzaakt. Zoals: het middel wordt langer – of in hogere dosering – gebruikt dan gepland. Soms treden ook  fysiologische verschijnselen op, zoals tolerantie: de patiënt heeft steeds meer nodig om hetzelfde effect te bereiken. Er kan ook sprake zijn van selectieve tolerantie, bijvoorbeeld: na enkele dagen opioïdgebruik blijft het pijnstillend effect en verdwijnt de misselijkheid. Bij gebruik van een middel dat alleen gericht is op vermindering van een gezondheidsprobleem, zoals pijn, is geen sprake van verslaving. Wel kan lichamelijke afhankelijkheid ontstaan. Dit betekent dat bij plotseling staken van het middel lichamelijke ontwenningsverschijnselen zijn te verwachten..

Oplaaddosis, insluipen, uitsluipen

Bij een medicamenteuze behandeling moet de gewenste concentratie van het geneesmiddel zo snel mogelijk de bloedbaan bereiken. Soms is daarvoor een hogere aanvangsdosering (oplaaddosis) nodig (zoals bij digoxine, en anticoagulantia, zoals acenocoumarol, fenprocoumon, warfarine).

Insluipen is het geleidelijk verhogen van de dosis in de loop van dagen of weken. Onder meer om de kans op bijwerkingen te verminderen. Doorgaans is bij het stoppen met medicatie de plasmaspiegel na vijf keer de halfwaardetijd zo laag dat geen effecten meer optreden. Bij sommige geneesmiddelen is uitsluiping (geleidelijk verlagen van de dosis) nodig om onttrekkingsverschijnselen of het reboundfenomeen te voorkomen. Bijvoorbeeld bij anti-epileptica en corticosteroïden. Het reboundeffect houdt in dat na staken van het middel, de symptomen waarvoor het middel werd gebruikt (tijdelijk) terugkeren, soms in heviger mate.

Halfwaardetijd

De halfwaardetijd is de tijd waarna nog maar de helft van het geneesmiddel in het bloed is. Enige tijd na inname wordt een evenwicht bereikt: de ‘steady state’. De opgenomen hoeveelheid geneesmiddel is dan gelijk aan de hoeveelheid die wordt uitgescheiden. Als de steady state hoger wordt – bijvoorbeeld door het verhogen van de dosis-, kan dat ertoe leiden dat je buiten het therapeutisch gebied komt. Hiermee stijgt het risico op toxiciteit, en dus ernstige bijwerkingen.

Uitgelicht congres

Nursing Experience: summer edition

ReeHorst

Nursing congres Oncologie in de thuiszorg

Van der Valk

Dag van de Medicatieveiligheid

ReeHorst

Omgaan met complex gedrag in de ouderenzorg

Van Der Valk Hotel Veenendaal

Het Pijn congres

ReeHorst

Het Diabeteszorg congres

ReeHorst

Het Maag Darm Lever congres

De ReeHorst

Dag van de Wijkverpleging

ReeHorst

Het Jaarcongres Palliatieve Zorg

Ouderenpsychiatrie in de praktijk

Nursing Brein College