Blog Sandra: ‘Tips voor meer stageplaatsen’

Of we alsjeblieft wat creatiever willen kijken naar ons werkveld, de voedingsbodem waarop zoveel aanstormend verpleegtalent kan groeien, vraagt Hans Aerts, voorzitter van het Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde (LOOV).
verpleegkundigehbo.jpg

Op mijn afdeling zijn 42 bedden. Bedden tot het randje gevuld met wat mijn centrummanager omschrijft als intensive care-zorg. Op een enkeling na heeft eigenlijk iedereen één of meerdere ‘toeters en bellen’ (PICC-lijnen, perifere infusen, katheters, sondes, drains, etc.). Mensen met kanker, uitzaaiingen, ingrijpende medicijnen met complicaties en voorzorgsmaatregelen, vechten voor levens of dik verliezen. Heftig. Maar prachtig.

Zie ook: ‘Gebrek aan stages grootste probleem in de verpleging’

Gisteren bestormden 9 nieuwe leerlingen bovengenoemde heftigheid. Ik geniet van hun vragen, hun grote ogen op mijn vingers, de rondleidingen, samen dieper inzoomen op patiënten. O ja… maar ik moet ook zorgen dat de zorg voor elkaar komt. Het is een hele uitdaging.

In de loop van de stage doen deze dames en heren steeds meer zelf. Dat scheelt ons. Ze worden dan ook ingezet als collega’s. Met minder patiënten of in ieder geval met toezicht, maar ze moeten werken en flink ook. Verdrinken ze niet in ons hoogcomplexe zwembad?

En nu willen ze dat we creatief bedenken hoe er nog meer leerlingen kunnen komen. Mijn ziekenhuis bedacht de leerafdeling. Daarbij bewaken twee leerlingen een groepje patiënten en een derde coacht het geheel. Echter… leerlingen zitten elkaar in de weg, ‘vechten’ om leermomenten (wie gaat er mee naar die scopie? Wie brengt deze slang in?) en willen eigenlijk alle drie een gediplomeerde collega die op hun vingers kijkt. Belangrijke details worden gemist soms. Patiënten voelen onrust.

Misschien moeten verpleegkundigen les krijgen over lesgeven. Over overbrengen. Over loslaten wellicht. Misschien moeten we leren in welke stappen we leerlingen klaarstomen voor zelfstandigheid. In plaats van ineens in het diepe na een aantal weken. Misschien moeten we les krijgen over hoe je differentieert: elke leerling anders bekijkt. Want ieder heeft zijn eigen tempo.

Misschien ook, moeten we beter afspreken hoe we zicht houden over de leerlingen. Want als ik op maandag begin en ‘Pietje’ begeleid, dan weet ik niet wat Pietje kan, weet, waar ik over moet waken. Overschat Pietje zichzelf of kent hij zijn grenzen? Welke verpleegtechnische handelingen doet hij zelfstandig? Wat zijn zijn leerpunten?

We hebben systemen nodig voor overzicht en terugkoppeling. Korte dossiers misschien met daarin Pietjes kwaliteiten en de leerdoelen die wij meegeven naar de volgende dienst. Digitaal en voor iedere begeleider inzichtelijk.

Een scorelijst voor leerlingen wellicht. Als je meer dan zoveel punten hebt afgetekend, krijg je een ander cijfer (net zoiets als zorgzwaarte, maar dan ‘leerlingdiepte’). Hoe hoger je cijfer, hoe meer je zelfstandig mag. Een 1 is bij aanvang. Bij een 3 kun je twee midden-complexe patiënten grotendeels zelfstandig overzien en verplegen en bij een 5 oefen je wat gediplomeerde verpleegkundigen moeten kunnen.

Verpleegkundigen willen altijd van alles met hun hart bepalen. Maar misschien moeten we gewoon ons hart eens omzetten naar concreet meten, kennisoverbrengen zien als hoofdzaak, als essentieel onderdeel van je verpleegkundige vak. Dan kunnen we er vast nog wel een leerling bij hebben, of twee.

Wie heeft er leuke tips uit zijn praktijk?

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.