Isolatieverpleging, een opfrislesje

Isolatieverpleging is voor verpleegkundigen geen onbekend terrein. Maar hoe zat het ook alweer met mondneusmaskers en sluizen? Een opfrislesje.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Illustratie: Daniel Coulmann, Fotolia.

Dit artikel is eigenlijk Premium, dus alleen voor abonnees. Maar de vraag naar corona-gerelateerde onderwerpen zoals isolatie is zo groot dat het artikel is opengesteld voor iedereen. Ook een abonnement op Nursing? Probeer het hier >>>


Het belang van correcte isolatieverpleging is de afgelopen decennia alleen maar toegenomen. In de afgelopen 40 jaar zijn er flink wat nieuwe virussen bijgekomen zoals SARS, ebola, hepatitis C, en West Nile) en bacteriën (vancomycineresistente enterokokken (VRE) en meticillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA).

Ook zijn er steeds meer BRMO’s (bijzonder resistente micro-organismen). Waren bepaalde micro-organismen vroeger maar resistent tegen één type antibiotica, nu zijn ze vaker resistent tegen meerdere groepen antibiotica. ‘Dat heeft tot gevolg dat er meer subtypes isolatie zijn en dat we vaker speciale maatregelen moeten nemen,’ vertelt Tessa Lauret, Infectiedeskundige in het Amsterdam UMC.

Welke voor isolatiemaatregelen moet je nemen als een patiënt (mogelijk) het coronavirus heeft? Lees meer.

Extra strenge maatregelen

‘Is de kans op besmetting heel groot, of is er bijvoorbeeld nog maar 1 antibioticum dat werkt bij een infectie, dan kan de impact heel groot zijn. Dan kunnen we bijvoorbeeld besluiten dat de deur van de patiëntenkamer altijd dicht moet zijn. Of dat er naast een schoonmaak ook een (dubbele) desinfectie plaats moet vinden voordat de kamer vrijgegeven kan worden.’

Open Europese grenzen

In veel ziekenhuizen zijn ook de gevolgen van de open Europese grenzen te merken. Lauret:  ‘Alle patiënten die korter dan een jaar geleden opgenomen zijn geweest in het buitenland worden voor opname gescreend op resistente micro-organismen en zo nodig geïsoleerd.’ In België gelden vergelijkbare maatregelen, waarbij de lengte van de buitenlandse opname een rol speelt en of de patiënt een invasieve ingreep heeft ondergaan.

´Na een opname in het buitenland – ook binnen Europa – is er meer risico op een resistente bacterie

Lauret: ‘Patiënten hebben na een opname in het buitenland een verhoogd risico een resistente bacterie bij zich te dragen. Of ze buiten Europa zijn geweest of niet, maakt niet uit. In Duitsland is het beleid voor MRSA bijvoorbeeld minder strikt dan in Nederland en is er net zo goed een risico.’

Scherpere diagnostiek

Guido Demaiter, verpleegkundig ziekenhuishygiënist in AZ Groeninge te Kortrijk (B) herkent de problematiek. ‘Door vooruitgang van microbiologische laboratoriumtechnieken kunnen we bovendien veel meer resistente micro-organismen detecteren. Een aantal jaar geleden werden patiënten nog alleen op MRSA gescreend. Nu is die kweek veel breder en adequater, bijvoorbeeld ook op ESBL, VRE en CPE (carbapenemaseproducerende Enterobacteriaceae). Als je gaat zoeken, dan vind je ook meer.’

‘De verscherpte diagnostiek heeft geleid tot een toename van het aantal patiënten in isolatie’

‘Ik denk dat de verscherpte diagnostiek bij ons wel heeft geleid tot een toename van het aantal patiënten dat in isolatie verpleegd wordt. Aan de hand van 4 simpele vragen bij opname bepalen we of het afnemen van screeningstalen nodig is:

  • Bent u ooit drager geweest van een multirestistente bacterie?
  • Gaat het om een rechtstreekse transfer van een ander ziekenhuis in binnen- of buitenland?
  • Bent u in een ander ziekenhuis opgenomen geweest het afgelopen jaar?
  • Wat is uw beroep? Gezondheidswerkers en medewerkers in de veeteelt zijn risicogroepen.’

Richtlijnen verouderd

Een belemmering bij isolatieverpleging is dat er geen recente Nederlandse of Vlaamse richtlijnen zijn. De Nederlandse Werkgroep Infectiepreventie (WIP) maakte voorheen richtlijnen voor de hele gezondheidszorg in Nederland. Ook in Vlaanderen worden deze richtlijnen gevolgd.

Peter Molenaar, deskundige Infectiepreventie bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM): ‘De WIP is in 2017 om financiële redenen opgeheven. De oude richtlijnen gelden nog wel, maar kloppen mogelijk niet altijd meer. Er is nieuw onderzoek nodig om ze weer actueel te maken.’

Mondneusmaskers

Per isolatievorm worden verschillende beschermingsmiddelen gebruikt. Zo zijn er verschillende typen mondneusmaskers. Bij aerogene isolatie (bijvoorbeeld bij tbc) draag je een FFP-2 mondneusmasker; bij druppelisolatie een FFP-1 mondneusmasker. In Vlaanderen is dit een chirurgisch masker type II.

‘Een FFP-1 masker draag je als er grote druppels vrijkomen bij praten, hoesten en dergelijke’, verduidelijkt Lauret. ‘Denk aan luchtweginfecties of influenza. Doordat deze druppels relatief zwaar zijn, blijven ze minder lang door de lucht zweven en worden ze over een minder grote afstand verspreid.’

‘Een FFP-2 masker draag je onder meer bij de behandeling van patiënten met (een verdenking op) tbc. De kleine druppels bij tbc kunnen op grotere afstand van de bron nog iemand besmetten.’

Aandachtspunten mondneusmaskers

Uiteraard hebben mondneusmaskers alleen bij correct gebruik het gewenste effect. Na 2 uur dragen moet het masker vervangen worden door een nieuw exemplaar. Je mag een masker ook niet om de hals dragen en daarna opnieuw gebruiken; binnen- en buitenkant kan besmet raken bij het opnieuw opzetten.

‘Mondneusmaskers voorkomen dat zorgverleners tijdens de zorg voor MRSA-patiënten onbewust hun neus aanraken met besmette handschoenen’

Demaiter voegt nog toe dat het dragen van een mondneusmasker bij MRSA op een andere manier bescherming biedt. ‘Omdat MRSA vooral via contact wordt overgedragen, wordt in België een mondneusmasker niet altijd aanbevolen. Maar MRSA-bacteriën huizen graag in de neus. Mondneusmaskers voorkomen dat zorgverleners tijdens de zorg voor MRSA-patiënten onbewust hun neus aanraken met besmette handschoenen.’ Lauret voegt voor de volledigheid toe dat MRSA zich ook via huidschilfers door de lucht kan verspreiden, al vormt dit niet het grootste risico.

De isolatiekamer

Bij aerogene en bij strikte isolatie is altijd sprake van een sluis, met luchtbeheersing als doel. Soms is er bij verpleegkundigen onduidelijkheid over gebruik en functie van de luchtsluis, ook omdat er verschillende luchtsystemen bestaan.

Bij bronisolatie vindt afzuiging altijd plaats in de patiëntenkamer om te voorkomen dat micro-organismen zich verspreiden naar de rest van de afdeling.

Bij universele isolatie (een combinatie van bronisolatie en beschermende isolatie) wordt de lucht juist in de sluis afgezogen zodat micro-organismen van de afdeling niet bij de geïsoleerde patiënt terecht komen.

Materiaal aangeven vanuit de sluis

Stel, je bent in de isolatiekamer en realiseert je dat je iets bent vergeten. Wat zijn de risico’s als een collega zonder beschermingsmiddelen je vanuit de sluis het materiaal aanreikt?

Bij bronisolatie is het risico dan niet groot, tenzij de patiënt een verminderde weerstand heeft. De lucht wordt immers in de patiëntenkamer afgezogen.

Bij universele isolatie kan er wel een probleem zijn. Omdat de lucht in de sluis wordt afgezogen, vult de sluis zich bij openen van de deur naar de patiëntenkamer met ‘vuile’ lucht. De onbeschermde verpleegkundige in de sluis kan dan besmet raken. Dit is ook de reden waarom de deur eerst dicht moet en de druk moet herstellen voor je je masker af kunt zetten.

Luchtdrukveranderingen

Het is belangrijk je te realiseren dat er luchtdrukveranderingen ontstaan op het moment dat je deuren opent. De ideale situatie is een patiëntenkamer met een normale druk, een onderdruk in de sluis en een normale druk op de gang.

Zet je de deur van de gang open, dan gaat de lucht naar de sluis en wordt het daar afgevoerd. Zet je de deur van de patiëntenkamer open, dan wordt de lucht eveneens weggezogen via de sluis. Dat voorkomt luchtverkeer van de gang naar de kamer of van de kamer naar de gang. Daardoor is de sluis te gebruiken voor zowel bronisolatie als beschermende isolatie.

De kamerdeur en de gangdeur mogen nooit tegelijkertijd open zijn, want dan ga je voorbij aan het afzuigen van lucht via de sluis.

* De term strikte isolatie wordt in Vlaanderen niet gebruikt. Wel worden er combinatievormen ingezet als druppelcontactisolatie (bijvoorbeeld bij pediatriepatiënten met influenza A/B) en luchtcontact (bijvoorbeeld bij vermoeden van ebola). Voor MRSA wordt vaak de term contactisolatie plus genoemd.

BRONISOLATIE

Aerogene isolatie

Verspreiding Via de (uitgeademde) lucht
Voorbeeld –          Tbc-          Mazelen
Behandeling Isolatiekamer met sluis en luchtbeheersing
Beschermingsmiddelen FFP-2 mondneusmasker


Contactisolatie

Verspreiding Via de handen en de omgeving (alle oppervlakken die frequent worden aangeraakt door de patiënt en de zorgverlener)
Voorbeeld –          Clostridium difficile

–          Brandwondinfecties1

–          Postoperatieve wondinfecties2

–          Norovirus

–          VRE

–          ESBL

–          Hepatitis A (bij incontinente patiënten)

Behandeling Eenpersoonskamer, bij uitzondering op zaal (daarbij moet een ruimte van 1,5 meter rondom het bed vrij zijn)
Beschermingsmiddelen Handschoenen, isolatiejas met lange mouw (goedgekeurd volgens de officiële Europese normen). Bij Norovirus ook een FFP1 mondneusmasker als de patiënt braakt.

1 Bij grote brandwonden worden bronisolatie en beschermende isolatie gecombineerd: ‘universele isolatie’.
2 Bij postoperatieve wondinfecties wordt contactisolatie ingesteld als de algemene voorzorgsmaatregelen onvoldoende zijn. Bijvoorbeeld omdat de wond veel vocht lekt en niet droog te verbinden is.

Druppelisolatie

Verspreiding Via druppels luchtwegsecreet op slijmvliezen, via speekseldruppels
Voorbeeld –          Influenza A/B

–          Bof

–          Meningokokkenziekte

Behandeling Eenpersoonskamer
Beschermingsmiddelen FFP-1 mondneusmasker


Strikte isolatie

Verspreiding Via de lucht en contact
Voorbeeld –          MRSA

–          Waterpokken

–          Mazelen

–          Virale hemorragische koortsen (infectieziekten die door een virus worden veroorzaakt en bloedingen geven, zoals ebolakoorts, lassakoorts, Marburgkoorts)

Behandeling Isolatiekamer, sluis en luchtbeheersing
Beschermingsmiddelen

BESCHERMENDE ISOLATIE

Verspreiding Via de lucht, handen en omgeving
Voorbeeld –          Beenmerg- en stamceltransplantatie

–          Patiënten met verminderde cellulaire immuniteit

Behandeling Isolatiekamer, sluis en luchtbeheersing
Beschermingsmiddelen –          Chirurgisch mondneusmasker1

–          Handschoenen

–          Jasschort met lange mouwen en manchet

–          Hoofdbedekking

1 Het chirurgisch masker heeft in dit geval het doel om druppels die ontstaan bij spreken et cetera op te vangen zodat ze niet bij de patiënt terechtkomen. Er is geen sprake van ademhalingsbescherming voor de drager, dus is geen FFP-masker nodig.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.