Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Ontwikkelingen in de ouderenzorg

Dit is een bijdrage van Nursing congressen en valt buiten de verantwoordelijkheid van de redactie. 

In de komende jaren neemt het aantal mensen van 75 jaar en ouder fors toe. Steeds meer mensen zullen een beroep doen op ouderenzorg. In dit artikel worden een aantal belangrijke thema’s in de ouderenzorg belicht:

  1. Ouderenpsychiatrie (gerontopsychiatrie)
  2. Omgaan met dementie
  3. Wet zorg en dwang (Wzd)
  4. Nieuw richtlijn palliatieve sedatie

 

Ouderenpsychiatrie (gerontopsychiatrie)

Psychiatrische aandoeningen komen vaak voor bij kwetsbare ouderen en kunnen gemakkelijk leiden tot functie- en autonomieverlies. Bovendien hebben ze een negatieve invloed op het ziektebeloop van somatische aandoeningen en omgekeerd. Wat zijn de specifieke kenmerken van psychiatrische aandoeningen bij ouderen? Hoe herken je ze? En wat zijn de valkuilen voor zorgverleners?

Enkele kenmerken

Sommige ouderen zijn al bekend met psychische aandoeningen en daar eerder in hun leven voor behandeld. Kenmerkend voor deze groep is dat deze ouderen soms niet veel vertrouwen hebben in behandelaren, meent Gerben Bergsma, onder meer consulent bij het CCE, trainer en oud-verpleegkundige. ‘Veel ouderen met psychiatrische klachten zijn opgenomen geweest in een tijd dat de psychiatrie nog niet zo humaan was,’ is zijn verklaring ‘Ze kregen medicatie met zware bijwerkingen of verbleven tijdenlang in een isoleercel. Als patiënt had je weinig te vertellen in die tijd. Veel van deze ouderen koesteren argwaan tegen de psychiatrie. Dat is iets wat zorgverleners voor ogen moeten houden.’ Volgens psychiater Sybold Okke (zie GGZ-college hieronder) is typerend voor de oudere patiënt dat 80% een behandeling met medicatie wenst. ‘Wat ik vaak hoor is: “Ik ben niet zo’n prater. Ik heb dat vanuit thuis ook niet meegekregen.” Overigens is dat vooral van toepassing op 75-plussers. Bij 60-plusser, de mensen van na de oorlog, is dat al minder aan de orde.’

Waarom pas op latere leeftijd?

Bij sommige mensen openbaren psychische aandoeningen zich pas op latere leeftijd. Zo kunnen verlieservaringen, denk aan het overlijden van een partner of niet meer werken, een depressie of een angststoornis triggeren. ‘Psychische aandoeningen kunnen lang afgedekt blijven’ verklaart ouderenpsychiater Martin Kat. ‘Zo kan iemand met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis altijd redelijk gefunctioneerd hebben omdat hij een zorgzame partner naast zich had. De persoonlijkheidsstoornis komt dan pas aan het licht als de partner wegvalt. Dan blijkt dat iemand niet goed op eigen benen kan staan.’ Bergsma herinnert zich een cliënt die de trauma’s uit haar jeugd altijd had weten te vermijden door heel hard te werken. ‘Toen die baan op latere leeftijd wegviel, ging ze heel veel drinken om de nare gevoelens te vermijden.’

Stapvoets rijden
Bij ouderen werken verschillende factoren vaak op elkaar in waardoor mensen in een vicieuze cirkel terechtkomen. In veel gevallen zijn ze minder goed in staat om overzicht te houden en houden ze vast aan rigidere patronen. ‘Waar mensen vroeger met de auto door de wijk scheurden, rijden ze nu stapvoets omdat ze dat niet meer durven’ verduidelijkt Bergsma. ‘Dat betekent ook dat ouderen cognitief gezien vaak minder goed in staat zijn om met stress om te gaan. Ook fysieke beperkingen kunnen een rol spelen. Is een oudere slecht ter been, dan komt hij minder buiten waardoor de sociale contacten afnemen. Als iemand daardoor somber wordt, komen anderen bovendien minder graag op bezoek. En daardoor word je nog depressiever. Dat is voor iedereen moeilijk, maar bij ouderen is het sociale netwerk ook nog eens veel kleiner.’

In dit GGZ College worden oorzaken, diagnoses en behandelingen rondom ouderenpsychiatrie belicht. Dorothee Veenstra is klinisch psycholoog en psychotherapeut, manager behandelzaken bij Van Andel Ouderenpsychiatrie. Ze werkt al 25 jaar in de ouderenzorg en is betrokken bij de opleiding van ouderenpsychiaters in Groningen. Tevens is ze gastdocent bij PPO, het nascholingsinstituut voor psychologen en orthopedagogen. Sybolt Okke de Vries is al 19 jaar psychiater bij GGZ Friesland en is sinds 2017 werkzaam bij Van Andel. Hij is nauw betrokken bij een studie naar het effect van een intensief trauma behandelingsprogramma. Silvia van Dijk is klinisch psycholoog, onderzoeker en hoofddocent van de postdoctorale psychotherapie opleiding.

Signalen missen

Kat vindt dat de hulp van ouderenpsychiaters in vele gevallen te laat of niet wordt ingeroepen. Dat geldt voor bewoners in een verpleeghuis maar zeker ook voor thuiszorgcliënten. ‘Verzorgenden en verpleegkundigen krijgen maar weinig scholing over psychiatrische problematiek en de vroegste stadia van dementie’ licht hij toe. ‘Daardoor worden signalen vaker gemist. Denk aan een oude vrouw die haar partner is verloren. Logisch dat ze verdrietig is, denkt de verzorging dan. Maar als dat een tijdje duurt en mevrouw niet meer goed eet en afvalt, kan er ook sprake zijn van een depressie.’

Dementie of een andere psychiatrische aandoening?

Diagnostiek bij ouderen is bovendien niet altijd makkelijk. Heeft een oudere die apathisch is dementie of is er sprake van een andere psychiatrische aandoening? Het is allebei mogelijk, volgens Kat. ‘Psychiatrie en dementie zijn niet altijd goed van elkaar te onderscheiden. Er wordt vaak gedacht dat het bij het dementie alleen gaat om geheugenproblemen. Maar uit onderzoek blijkt dat de vroegste stadia van dementie beginnen met psychische ontregeling. Depressie kan het beginstadium zijn van dementie. Ook kan er sprake zijn van apathie, agressie of een verstoord dag- en nachtritme.’

Dementie en psychiatrie

Bovendien wordt vaker over het hoofd gezien dat dementie gepaard kan gaan met psychiatrische verschijnselen. ‘90% van de ouderen met dementie heeft ook psychiatrische aandoeningen’ vervolgt Kat. ‘Dat geldt ook voor ouderen die geen psychiatrische voorgeschiedenis hebben. Als iemand eenmaal dementie heeft, wordt daar vaak alles aan opgehangen. Dan scharen we alles onder de noemer ‘probleemgedrag’ en wordt er niet meer verder gekeken. Ook de psychiatrie zelf maakt zich daar schuldig aan.’

Verkeerde medicatie

Kat maakte mee dat de huisarts een oudere met apathie met zijn vrouw naar relatietherapie verwees, terwijl er later sprake bleek van dementie. In een ander geval kreeg een oudere een antidepressivum voorgeschreven vanwege een vermeende depressie waarop hij vervolgens zijn partner aanviel. Kat: ‘Als iemand die niet depressief is antidepressiva slikt, kan dat leiden tot ontremming en zelfs agressie. Ook bij deze man bleek het om dementie te gaan. Vanwege die aandoening had hij geen controle meer over zijn gedrag. Zorgvuldigheid in de diagnostiek is daarom heel erg belangrijk.’

Dementie milder

Hoe eerder we dementie en andere psychische en psychiatrische problematiek vaststellen, des te meer kunnen we therapeutisch betekenen, vindt Kat. Professionele diagnostiek in een vroeger stadium kan hiertoe bijdragen Ook professionals trappen nog wel eens in de valkuil dat er toch niks aan te doen is als ouderen eenmaal dementeren, meent hij. ‘Is er bijvoorbeeld ook sprake van een bijkomende psychose dan kunnen we die behandelen. Het gevolg is dat ook de dementie meestal milder wordt. Mensen zijn minder agressief en minder angstig.’

Martin Kat, psychiater met zijn presentatie ‘Psychiatrie bij ‘Alzheimer’, een vergeten hoofdstuk’.

Behandeling

Als het om psychotherapie gaat, geeft Kat mensen, dus ook ouderen, altijd een kans. ‘Ik handel niet vanuit het vooroordeel dat er bij ouderen toch niets meer te veranderen is. Je hebt mensen van vijftig die mentaal uitgeblust zijn en mensen van tachtig die nog vitaal en weerbaar zijn.’ Gaat het om medicatie dan dient er rekening gehouden te worden met kwetsbaarheden en andere ziektes die de oudere patiënt vaak ook heeft. ‘Een hoge bloeddruk of diabetes kan iets zeggen over een minder goede doorbloeding van onder meer het brein’ vervolgt hij. ‘Dan is er meer voorzichtigheid geboden met de keuze voor het type medicatie, omdat je niet wilt dat mensen onnodige risico’s lopen om  bijvoorbeeld een hart- of herseninfarct te krijgen.’

Vaker ECT ingezet
In een artikel in Medisch Contact (2016) stelt, onder meer psychiater Richard Oude Voshaar, dat ouderenpsychiatrie specifieke kennis en vaardigheden vereist in vergelijking met psychiatrische zorg voor jongvolwassenen. Bij de behandeling van ouderen met een depressie wordt bijvoorbeeld in vergelijking met jongvolwassenen elektroconvulsieve therapie (ECT) sneller ingezet. ‘Dit is vooral het geval bij het veelvoorkomende type (psychotische) depressie met psychomotore remming of agitatie. Daar geeft ECT een veel grotere kans op goed resultaat dan antidepressiva. Ook is bewezen dat specifieke aanpassingen van psychotherapeutische interventies meerwaarde bieden bij mildere depressies met stoornissen in de executieve functies (planning- en overzicht), die vaak het gevolg zijn van cerebrovasculaire schade of prodromaal bij neurodegeneratieve ziekten. De laatste jaren is dan ook voor een aantal multidisciplinaire richtlijnen, zoals die voor depressieve en angststoornissen, een addendum voor ouderen opgesteld.’

Belang levensgeschiedenis

Voor Bergsma is een van belangrijkste aspecten van ouderenzorg het construeren van de levensgeschiedenis van de cliënt. ‘Dan begrijp je veel beter waarom de bewoner zich op een bepaalde manier gedraagt. En kun je bijvoorbeeld nagaan of het vele roepen vanuit dementie komt of de angststoornis, die iemand vroeger al had, de overhand heeft. Vaak wordt dat laatste niet herkend en worden dergelijke gedragingen te snel aan de dementie gewijd.’

Gedragingen kopiëren
Bergsma geeft een voorbeeld van een vrouw in een verpleeghuis die erg claimend gedrag vertoonde. ‘Ze was zo onrustig dat ze de hele afdeling ontregelde.’ Op een gegeven moment hield het moeilijke gedrag op en was de vrouw opeens rustig. Maar een tijd daarna ging ze zich opnieuw erg claimend gedragen. De medewerkers probeerden te achterhalen wat ertoe had geleid dat de vrouw tijdelijk veel rustiger was geweest.
Na een gesprek met de familie bleek dat de vrouw vroeger angstklachten had gehad. ‘Die angstklachten waren toegenomen toen ze in het verpleeghuis kwam wonen’ licht Bergsma toe. ‘Uiteindelijk bleek dat zij in de periode dat ze rustiger was geweest de gedragingen van een andere bewoonster had gekopieerd. At die bewoonster een boterham of ging ze breien, dan deed zij dat ook. Op die manier had ze het idee dat ze niet op zichzelf stond. Toen de betreffende bewoonster overleed, keerden de klachten terug. De verpleging zorgde er vanaf toen voor dat de bewoonster qua activiteit altijd gekoppeld werd aan iemand anders, waardoor zij weer rustiger werd.’

Aansluiten bij handhavingsstrategie
Wie je bent en wat je heeft gevormd, komt heel hard terug op het moment dat je in de problemen komt, meent Bergsma. Dus ook als je oud en ziek wordt en in een onbekende omgeving belandt. ‘Op die momenten komen de handhavingsstrategieën van mensen heel erg naar voren. Het helpt enorm om als zorgverleners daarbij aan te sluiten. Stel je voor: je hebt altijd leidinggegeven. Als je dementie ontwikkelt als je ouder bent, of een depressie krijgt en opgenomen wordt in een woongroep, kan dat dominante gedrag ook daar aan de orde komen. Mogelijk wordt het zelfs versterkt door de aandoening waardoor het problematisch wordt. Zeker als andere bewoners passiever zijn en de neiging hebben om alles te slikken. Soms helpt het dan om de bewoner in kwestie een duidelijke taak of rol te geven, waardoor het gedrag gekaderd wordt.’

Te summier
Bergsma vindt dat het construeren van de levensgeschiedenis nu niet altijd intensief en uitgebreid genoeg gebeurt. ‘Dan hoor ik: “Oh ja, we hebben familie een formulier gegeven en dat hebben ze ingevuld. “Maar dat is vaak te summier.’ Een levensgeschiedenis moet gelaagd zijn en kleur hebben, vindt hij. Daarbij gaat om vragen als: had de bewoner vrienden? Zijn er doodgeboren kinderen in het gezin? Hoe was het huwelijk van de bewoner? Zo’n verhaal maken, kost wat tijd, geeft hij toe. ‘Met het gesprek en het uitschrijven ben ik 2 à 3 uur bezig. Maar dan heb je ook een completer en dieper beeld van de persoonlijkheid van die bewoner. En dat is een voorwaarde voor het leveren van goede zorg. De pathologie is het laatste stukje van de puzzel. De persoonlijkheid duiden en de handhavingsstrategie van iemand achterhalen, is minstens zo belangrijk.’

Meer lezen:

Omgaan met dementie

Agressie, roepgedrag, weerstand, zorgverleners ervaren de omgang met mensen met dementie vaak als problematisch. Dit wordt ook wel onbegrepen of complex gedrag genoemd. Wat kun je doen als zorgverlener?

Jos Cuijten, onder meer trainer en oud-verpleegkundige is gespecialiseerd in het onderwerp. Ze leerde, onder andere, veel over de doelgroep van dr. Anneke van der Plaats, sociaal geriater, oprichter van het Breincollectief, en specialist in dementie en gedrag.

Te snel medicatie

Cuijten vindt dat er veel verbeterd kan worden aan de omgang met mensen met dementie. En dat er nu te snel naar medicatie gegrepen wordt. ‘De zorg is in vele gevallen te taak- in plaats van persoonsgericht. Als ik situaties observeer waarbij ouderen met dementie onrustig of agressief zijn, dan zie ik bijvoorbeeld vaker dat bepaalde mensen elkaar triggeren. Daar wordt nu weinig mee gedaan. En dan worden er al snel pillen gegeven.’ Ook Gerben Bergsma vindt het therapeutisch klimaat en de groepsdynamiek een belangrijk item in de ouderenzorg. ‘Op de opleidingen is daar nauwelijks aandacht voor.’

Te veel prikkels

Een andere belangrijke factor om het ouderen met dementie zo comfortabel mogelijk te maken, is de inrichting van de omgeving. Als er te veel prikkels zijn, kunnen mensen met dementie zieker lijken dan ze zijn, vindt Cuijten. Ook daar is weinig aandacht voor terwijl kleine veranderingen belangrijke verschillen kunnen maken. ‘Een voorbeeld is een bont tafelkleed met allerlei figuren. Het zicht van mensen met dementie is slecht, ze zien het bord, de boterhammen en het beleg niet meer door de veelheid aan prikkels. Het gevolg is dat de verzorging het smeren van de boterhammen overneemt waardoor mensen nog passiever worden. Een tafellaken in een effen kleur en witte borden op tafel kunnen die problemen verminderen.’

Geen loopcircuits

Volgens Cuijten is de omgeving nu meer afgestemd op de zorgverleners in plaats van op de bewoners. Waterkokers, vaatwassers, gordijnen die elektronisch open en dicht gaan, het zijn innovaties die ouderen met dementie niet (meer) kennen en dus kunnen ze er niets mee. ‘Geef ze een teiltje water en een afborstel, dan kunnen ze meehelpen met afwassen.’
Ook Martin Kat hekelt de infrastructuur en de inrichting van veel woningen en verpleeghuizen. ‘Je ziet nu bijvoorbeeld bijna geen loopcircuits meer, waar veel mensen met dementie baat bij hebben, in verpleeghuizen. En dan gaan die mensen bij de deur staan en willen eruit. Er wordt vaak te veel gedaan alsof we met gewone mensen te maken hebben’ vervolgt hij. ‘Maar dat is niet zo. Mensen met dementie zijn gebaat bij een speciale benadering.’

Geen standaard

Hoe ga je om met roepgedrag en agressie? Kat en Cuijtens benadrukken allebei dat er geen standaardhandleiding voor is. De cliënt kennen en weten wat hij prettig vindt, is essentieel. De een is gebaat bij afstand, de ander bij nabijheid. De een wil een arm om zich heen, de ander een verhaal vertellen. Kat: De oudere cliënt is niet in één hokje te plaatsen. Wat wenselijk en effectief is bij een cliënt, moet je bij je bij iedereen netjes in kaart brengen.’

Meer lezen over omgaan met mensen met dementie:

 

Wet Zorg en Dwang (Wzd)

Verzet tegen het toedienen van medicatie of voeding, de bewegingsvrijheid beperken. Volgens de Wet zorg en dwang (Wzd), die op 1 januari 2020 in werking is getreden, moet onvrijwillige zorg zoveel mogelijk voorkomen worden. Wat houdt deze wet in? En welke alternatieven zijn er om onvrijwillige zorg te voorkomen?

Ieder mens heeft het recht om in vrijheid te leven en eigen keuzes te maken. Dat geldt ook voor mensen met dementie en een verstandelijke beperking. Dat is het uitgangspunt van de Wet zorg en dwang (Wzd). In deze wet wordt uitgegaan van het principe ‘Nee, tenzij’. De zorg voor mensen met dementie en mensen met een verstandelijke beperking moet zoveel mogelijk op vrijwillige basis plaatsvinden, tenzij het niet anders kan.

Naar buiten!

Soms maakt één bewoner het verschil. Neem nou Tiny. Een buitenmens in hart en ziel. Altijd op zoek naar een manier om te ‘ontsnappen’ uit de woongroep, altijd op zoek naar vrijheid. Als dat weer niet lukt, wordt ze heel verdrietig en soms ook boos of agressief. Haar kinderen vinden het vreselijk hun moeder zo te zien en vragen of dat echt niet anders kon. Ze zijn niet de enigen. Ook andere familieleden en medewerkers klagen over het gebrek aan bewegingsruimte. De directie neemt de klachten serieus en gaat aan de slag. Nu staan alle deuren open. Oók de buitendeur, tot een uur of 5. Het geheim? Een buitendienst die de bewoners in de gaten houdt. Dat is voor iedereen spannend, vooral omdat er geen hek rond de locatie staat. Maar de bewoners vinden het prachtig. Ze genieten van hun vrijheid en zijn veel rustiger. Want wie wil nou niet naar buiten als de zon schijnt?
Bron: Alternatievenbundel, passende en vrijwillige zorg

Stappenplan

Als het niet lukt om een alternatief te vinden, moet de zorgorganisatie een stappenplan doorlopen.  De betrokken professionals dienen de situatie goed te analyseren, alternatieven in een multidisciplinair team bekijken en (externe) deskundigheid inschakelen om mee te denken.

Het stappenplan is altijd van toepassing bij onderstaande vormen van zorg bij wilsonbekwame cliënten, ook als de vertegenwoordiger instemt met deze zorg en de cliënt zich daartegen niet verzet:

  • Het toedienen van gedragsmedicatie buiten de richtlijn.
  • Beperking van bewegingsvrijheid.
  • Insluiting

Met kleren aan naar bed

Talloze kinderen heeft Sietske op de wereld geholpen. Meer dan dertig jaar was ze vroedvrouw. Nu is ze 75 en opgenomen op de psycho-geriatrische afdeling van een verpleeghuis. De verzorgenden uit de avonddienst klagen dat zij elke avond een gevecht met haar voeren om haar in haar pyjama en in bed te krijgen. In het multidisciplinair overleg wordt besloten de familie in te schakelen. Dan blijkt dat Sietske vroeger altijd met haar kleren aan naar bed ging. Ze kon immers elke nacht gebeld worden voor een bevalling en moest dan vaak halsoverkop vertrekken. Samen met familie wordt besloten haar niet meer in een pyjama te dwingen maar haar gewoon in haar kleren op bed te leggen. En dat werkt. Ze gaat rustig liggen en slaapt goed. De gevechten zijn verleden tijd.
Bron: Alternatievenbundel, passende en vrijwillige zorg

Andere onvrijwillige zorg

Andere situaties waarin er sprake kan zijn van onvrijwillige zorg waar de cliënt niet mee instemt of zich tegen verzet:

  • Toedienen vocht, voeding en medicatie, medische controles /handelingen vanwege de verstandelijke beperking of dementie.
  • Toezicht (inclusief domotica).
  • Onderzoek aan kleding of lichaam.
  • Onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op middelen die het gedrag beïnvloeden en op gevaarlijke voorwerpen.
  • Controle op middelen die gedrag beïnvloeden.
  • Beperking van vrijheid om eigen leven in te richten, waardoor de cliënt iets moet doen of laten (incl. gebruik communicatiemiddelen).
  • Beperking op het ontvangen van bezoek.

Slaaphulp

Slaaphulpen geven een gevoel van lichamelijke nabijheid en zorgen daardoor voor ontspanning en een gevoel van geborgenheid. De cliënt komt daardoor makkelijker in slaap. Slaaphulpen hebben bijna altijd de vorm van knuffelbeesten. De meeste slaaphulpen geven geluid, bijvoorbeeld een hartslag, vogelgeluiden, een stromend beekje, de zee of liedjes. Sommige slaaphulpen geven zacht licht. Die slaaphulpen heten ook wel lichtgevende knuffels.
Bron: Alternatievenbundel, passende en vrijwillige zorg

Voor meer voorbeelden, download de Alternatievenbundel met 85 inspirerende alternatieven voor passende en vrijwillige zorg.

Meer informatie over de Wet zorg en dwang:

 

Nieuwe richtlijn palliatieve sedatie

In juli 2022 kwam de nieuwe richtlijn palliatieve sedatie uit. Deze richtlijn was sinds 2005 niet meer herzien. Wat is er veranderd? Palliatieve sedatie is het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van een patiënt in de laatste levensfase. Het gaat om een vergaande en complexe medische handeling die alleen ingezet mag worden als aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan. Zoals een beperkte levensverwachting (bij continue palliatieve sedatie maximaal twee weken) en van lijden dat niet op een andere manier voldoende onder controle gekregen kan worden. Bijvoorbeeld als iemand veel pijn heeft of erg benauwd is. De herziening van de richtlijn is tot stand gekomen op basis van knelpunten die zorgprofessionals in de praktijk ervaren. Ook input van een grote groep patiënten en naasten is meegenomen. En er is gebruik gemaakt van ethische en juridische expertise.

Ook existentieel lijden

In de nieuwe richtlijn wordt sterker dan voorheen benadrukt dat het lijden van patiënten niet alleen lichamelijk maar ook existentieel kan zijn. Existentieel lijden betekent: zinloosheid ervaren, leegheid, existentiële nood of zingevingproblematiek. ‘Als existentieel lijden niet meer valt te verlichten door bijvoorbeeld gesprekken of spirituele ondersteuning, kan ook dit lijden refractair zijn’, aldus de richtlijn.

Drie vormen palliatieve sedatie

Er zijn nu drie vormen van palliatieve sedatie:

  • Intermitterende palliatieve sedatie: ter overbrugging van een bepaalde tijd of fase. Het doel is om tijdelijk rust te brengen en de patiënt daarna weer (volledig) tot bewustzijn te laten komen.
  • Continue palliatieve sedatie tot aan het overlijden: als de geschatte termijn tot overlijden relatief kort is, dat wil zeggen maximaal twee weken.
  • Acute palliatieve sedatie: dan gaat het om (sub)acuut ontstane, zeer ernstige refractaire symptomen in de laatste levensfase, waaraan de patiënt vrijwel zeker op zeer korte termijn (minuten-uren) zal komen te overlijden. Acute sedatie is toegevoegd aan de nieuwe richtlijn omdat diverse doelgroepen deze vorm van palliatieve sedatie misten.

Webseminar herziening richtlijn palliatieve sedatie. Een gesprek met de richtlijncommissie, een verpleegkundig specialist palliatieve zorg onder leiding van Ruben van Coevorden huis/kader arts palliatieve zorg.

Multidisciplinaire aanpak

In de nieuwe richtlijn staat een multidisciplinaire aanpak centraal. De input van alle partijen is belangrijk, ook vanwege de toenemende complexiteit van de behandelingen. De bedoeling is om een regiebehandelaar, niet per definitie de hoofdbehandelaar, aan te stellen als aanspreekpunt voor alle partijen. Dat is degene die het overzicht en de regie heeft over de behandeling.

Indicatiestelling

De indicatiestelling van palliatieve sedatie blijft de verantwoordelijkheid van artsen. In de praktijk doen verpleegkundig specialisten dit echter ook vaak. Dat was reden voor V&VN om de nieuwe richtlijn niet te autoriseren. V&VN ontwikkelt daarom een leidraad voor verpleegkundig specialisten voor het stellen van de indicatie voor palliatieve sedatie. Deze leidraad is nodig om verpleegkundig specialisten duidelijkheid te bieden en goede patiëntenzorg te waarborgen, volgens de organisatie. De leidraad is een aanvulling op de multidisciplinaire Richtlijn Palliatieve Sedatie.

Beslisboom palliatieve sedatie

Onderdeel palliatief zorgtraject

Een belangrijke wijziging is verder de nadruk op dat er tijdens het gehele palliatieve zorgtraject nagedacht moet worden over palliatieve sedatie. Dat het onderwerp tijdig besproken moet worden met patiënt, naasten en team. Palliatieve sedatie is een belangrijk onderdeel van een palliatief zorgtraject. Het mag niet iets zijn wat opeens tijdens een bepaalde fase van het behandeltraject aan de orde komt

Betere voorlichting

Uit de knelpuntenanalyse kwam onder meer naar voren dat zorgverleners merkten dat patiënten vaak een verkeerd beeld hadden van wat palliatieve sedatie inhoudt. Of dat er druk gevoeld werd om met palliatieve sedatie te starten. En dat heeft veel te maken met de voorlichting en de uitleg die wordt gegeven. Verwachtingsmanagement heeft daarom een belangrijke nadruk gekregen in de richtlijn.

Dosering aangepast

Het doseerschema van medicatie is op basis van voortschrijdend medisch inzicht aangepast en duidelijker geworden. Zo is er meer aandacht voor proportionele sedatie (toepassing niet langer en dieper dan nodig). Verder is er ruimte voor eerdere toepassing van levomepromazine (Nozinan®). Artsen voegen levomepromazine standaard toe als ze 20 mg midazolam per uur geven. In de richtlijn wordt gesteld dat levomepromazine eerder toegediend kan worden als midazolam onvoldoende effect heeft op de aanwezige refractaire klachten, met name delier, misselijkheid/braken en pijn. Vanwege de anti-emetische, analgetische, antipsychotische en sedatieve eigenschappen is eerdere toevoeging wenselijk.

Nieuwe doelgroepen

In de nieuwe richtlijn is specifieke aandacht voor mensen met dementie en een verstandelijke beperking.

Bronnen:

 

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.