3 vragen over het refeeding syndroom bij ondervoeding

Wanneer een ondervoede patiënt weer (meer) gaat eten of voeding toegediend krijgt, kan het ‘refeeding syndroom’ optreden. Wat is dit en waar moet je op letten?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
a_maagsonde_AM_20160830_2881.jpg
Het refeeding syndroom kan optreden wanneer sondevoeding wordt ingezet bij ondervoede patiënten. - Foto: Arno Massee

Er is de laatste tijd veel aandacht voor het signaleren en tegengaan van ondervoeding. Zo bleek in 2016 dat bijna vijftien procent van de patiënten in Nederlandse ziekenhuizen op de eerste opnamedag ondervoed is. Aandacht voor ondervoeding is belangrijk, want het kan leiden tot complicaties zoals tragere wondgenezing, langere opnameduur in het ziekenhuis en zelfs tot overlijden. Maar het herintroduceren van voeding brengt ook het risico op ‘refeeding syndroom’ met zich mee. Wat is dit en waar je moet je op letten?

1. Wat is refeeding syndroom?

Bij ondervoeding past het metabolisme zich aan op het gebrek aan brandstof uit de gebruikelijke bron: koolhydraten. Het lichaam schakelt over op de verbranding van eiwitten en vet. Als de patiënt weer koolhydraten binnenkrijgt, kan het metabolisme van slag raken. Dan is er sprake van het refeeding syndroom, dat wordt gekenmerkt door verlaagde eletrolytenplasmaconcentraties en vochtretentie. Sommige patiënten hebben er maar lichte klachten van, bij anderen kan het tot ernstige neurologische of cardiale symptomen lijden.

2. Waar kun je het aan herkennen?

Het verraderlijke van refeeding syndroom is dat de symptomen vaag en heel moeilijk te herkennen zijn. Een antwoord op deze vraag is er dus eigenlijk niet, blijkt ook uit een literatuuronderzoek van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Voedingsverpleegkundige Mariël Klos licht toe: ‘Refeeding syndroom geeft vage klachten die op van alles kunnen wijzen. Het is dus heel moeilijk te herkennen, maar kan wél levensbedreigend zijn. Daarom is het zaak dat je refeeding syndroom vóór bent, door alert te zijn op ondervoeding en te beseffen dat toedienen van voeding niet zonder gevaren is. Vermoed je dat een patiënt ondervoed is, schakel dan een diëtist in voordat je voeding toedient. De diëtist kan dan de elektrolyten- en de vochtbalans in de gaten houden en zo nodig suppleren.’

Ondervoeding is niet altijd gemakkelijk te herkennen. Het is een misvatting, ook onder verpleegkundigen, dat kijken en observeren voldoende is. Lees meer >>

3. Wie loopt het meeste risico?

Ondervoeding komt het vaakst voor onder ouderen, patiënten met een chronische ziekte zoals kanker of hiv, patiënten met anorexia nervosa, en patiënten met een alcoholverslaving. Zij lopen een extra hoog risico op refeeding syndroom. Datzelfde geldt voor patiënten die antacida of diuretica gebruiken, omdat ook bij hen elektrolytenverlies optreedt.
Ondervoede patiënten kunnen vermagerd zijn, maar dat hoeft niet. ‘Het gaat niet om de body mass index (BMI), maar om het spiermassaverlies’, stelt dr. ir. Hinke Kruizenga, diëtist-onderzoeker bij het VUmc in Amsterdam en projectleider van de Stuurgroep Ondervoeding in Nursing november. ‘Als iemand te weinig spiermassa heeft, maar wel veel vetmassa, dan zie je dat aan de buitenkant niet.’ Een diëtist kan vaststellen of iemand ondervoed is.

Bronnen:
Refeedingsyndroom, Nederlands Voedingsteam Overleg, gereviseerde versie, 2016.
‘Het refeeding-syndoom’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2015;159:A8610.

Met dank aan:
Mariël Klos, voedingsverpleegkundige bij Gelre Ziekenhuizen.

4 REACTIES

  1. Lees alle reacties
  2. Verpleegkundigen staan dicht bij de patiënt en kunnen goed inschatten of hun patiënt ondervoed is. De meeste ziekenhuizen, maar ook in verpleeghuizen en in de thuiszorg (ook bij ouderen) kan bijvoorbeeld de SNAQ score afgenomen worden.
    Met die uitkomst wordt het risico voor ondervoeding ingeschat. Bij een score van 3 of meer wordt een diëtist gericht om een consult gevraagd door de verpleegkundig of de arts. De diëtist kan met de arts inschatten of een patiënt risico heeft op refeeding klachten. Het is lastig om met vage klachten om te gaan dat ben ik eens met Henriette, maar je wil als verpleegkundige niet dat je patiënt ernstige en niet onderkende klachten krijgt/heeft, die je had kunnen voorkomen door het eten, sondevoeding of parenterale voeding rustiger op te bouwen. Een voedingsverpleegkundige is er zeker niet om de zorg over te nemen van de verpleegkundigen, maar door haar deskundigheid verpleegkundigen opmerkzaam te maken op dit syndroom. Mocht je verder geïnteresseerd zij lees de richtlijn http://www.stuurgroepondervoeding.nl/wp-content/uploads/2015/02/Richtlijn_screenen_en_behandeling_van_ondervoeding_juni_2011.pdf
    Dan doen verpleegkundigen meer dan alleen maar formulieren invullen en scoren, maar de resultaten hiervan in praktijk brengen.

    Willy Arjaans
    Voedingsverpleegkundige VUmc

  3. Hoe vaak komt dit refeeding syndroom voor? Geen idee.
    Hoe kan je het herkennen? Tja,patiënt heeft vage klachten,dus zo komen we ook niet veel verder. Wel kan het levensbedreigend zijn. Maar het belangrijkst is,ga niet zelf de patiënt eten aanbieden, want dat is werkelijk levensgevaarlijk, nee schakel eerst de diëtiste in. En dan komt de voedingsverpleegkundige de eerste hapjes aan de patiënt geven, want die kan na een bordje Brinta zo in shock gaan.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.